- Jorunna tomentosa , (Cuvier, 1804)

Lengte

Max. ca. 55 mm

 

Forse slak. Het mantelschild is volledig en dicht bezet met kleine wratten van gelijke afmeting. Door de oriëntatie van de wratjes ontstaan er vage vlekjes op de mantel. Met variabele bruine pigmentvlekken op de mantel: soms in twee laterale longitudinale rijen, maar ze kunnen ook minder gestructureerd op de rug aanwezig zijn of nagenoeg afwezig.

Te verwarren met

De recent (2021) beschreven tweede Europese Jorunna soort die nog niet in de Nederlandse kustwateren is aangetroffen: Jorunna artsdatabankia. Bij deze soort is de mantel egaal gekleurd, met mogelijk verspreid enkele hele kleine bruine pigmentpuntjes.

Andere kenmerken

Lengte tot 55 mm. De mantel bedekt nagenoeg het gehele lichaam. Alleen de voetpunt steekt een beetje onder het mantelschild uit. Rhinoforen met een kale uiterste punt. Meteen daar onder, over ongeveer 3/4de van de rhinoforen, schuinstaande lamellen. De rhinoforen en kieuwen kunnen worden teruggetrokken in holtes in de mantel met een bescheiden verhoogde rand. Kop en koptentakels zitten onder de mantel verstopt. De slak heeft een satijn- of fluweelachtig uiterlijk en lijkt daarmee op de prooi: sponzen.

Kleur

Zeer gevarieerd: het mantelschild is egaal wit, crème, zandkleurig grijsbruin tot oranjeachtig. Soms met een roze tint. Elders komen ook exemplaren met grove onregelmatige bruine vlekken voor. Op het mantelschild, in aantal, afmeting  en plaats variërende, soms symmetrisch geplaatste, donkerbruine, ronde pigmentvlekken. De voet heeft dezelfde kleur als het mantelschild.

Eieren

Een crèmekleurig tot wit, plat, breed lint, dat vastgehecht op de zijkant, in een linksgedraaide golvende, vaak slordige spiraal met circa 2-4 windingen, op substraat wordt afgezet. Tot meer dan 150.000 embryo's per eiersnoer. Soms lastig te onderscheiden van de eiersnoeren van de Citroenslak Doris pseudoargus en Millennium-wratslak Geitodoris planata.

Prooi

Sponzen: bij voorkeur Geweispons Haliclona oculata en Gewone broodspons Halichondria panicea

Endo- en Ectoparasieten

Door de ectoparasitaire copepode Doridicola agilis aff. geïnfecteerde dieren zijn meerdere keren in de Zeeuwse Delta waargenomen. Er zijn nog geen Nederlandse waarnemingen bekend van copepode endoparasieten in deze soort.

Seizoenstrend

Jaarlijks slechts enkele Nederlandse waarnemingen. De soort is het gehele jaar door waargenomen. Eiersnoeren: vooral in voorjaar en zomer. Elders in Europa met waarnemingen gedurende het gehele jaar, met de meeste waarnemingen van november t/m juli.

Verspreiding in Nederland

Vanaf 1952 in Nederland waargenomen. Schaars, onder de laagwaterlijn op alle dieptes. Bevestigde waarnemingen van de Ooster- en Westerschelde, Grevelingenmeer, bij Den Helder en Texel. Komt waarschijnlijk ook in de Noordzee voor. Er zijn geen bevestigde waarnemingen bekend van deze soort van het Veerse Meer, Haringvliet en aangespoeld op de Noordzeestranden.

Verspreiding in Europa

Noorwegen, Zweden, Groot Brittannië, Ierland, Nederland, Frankrijk, Portugal, tot in de Middellandse Zee.

Synoniemen

Doris tomentosa (original name), Doris johnstoni, Doris obvelata, Doris philippii, Jorunna johnstoni

Meer informatie

Taxanomie details Jorunna tomentosa op World Register of Marine Species
Satijnslak
Satijnslak
Eikapsel
Satijnslak
Voedsel (Wetenschappelijk):
Satijnslak
Waarnemingen per jaar
Totaal waarnemingen
Duikplaatsen