Japanse zeepbelslak

Haloa japonica Pilsbry, 1895

Family
Haminoeidae
Superfamily
Haminoeoidea
Order
Cephalaspidea
Subterclass
Tectipleura
Infraclass
Euthyneura
Subclass
Heterobranchia
Class
Gastropoda
Phylum
Mollusca
Kingdom
Animalia
Haloa japonica
Japanse zeepbelslak © Peter H. van BRAGT
Haloa japonica
Eikapsel © Peter H. van BRAGT
© Peter H. van BRAGT

Lengte

Max. ca. 35 mm.

Karakteristieke kenmerken

Geen zeenaaktslak, behoort tot de Orde Cephalaspidea! Met een dunne semitransparante schelp op het middelste, bredere en opvallend bolle deel van de slak. Zonder rhinoforen of koptentakels. Met grote, op oren lijkende huidflappen, op de zijkanten van de kop.

Andere kenmerken

Lengte slak tot ca. 35 mm. Hier meestal niet meer dan 2.5 cm. De schelp is iets minder dan de helft daarvan. Een groter voorste en kleiner achterste deel van de slak zijn lager dan het midden waar de deels zichtbare glanzende uitwendige schelp zit. De schelp is dun maar stevig, ovaal cilindrisch met afgevlakte top en ronde onderzijde. De laatste winding is relatief groot en steekt boven de top van de schelp uit. De schelp wordt aan de voorzijde gedeeltelijk bedekt door de omgeslagen mantelflappen: parapodia. Op de achterzijde van de slak is de schelp gedeeltelijk zichtbaar, niet bedekt door de mantel. De rug is glad. De brede voorrand van de voet is in het midden breed afgerond en heeft onopvallende kort uitstekende hoekpunten. Voorzijde van de kop met twee brede lobben. De staart steekt als een brede vlakke plaat achter de schelp uit.

Kan verward worden met

Onmiskenbaar. Kan echter verward worden met andere verwante Haminoidae soorten, die ook op de Europese kust aanwezig zijn, maar nog niet in Nederland zijn aangetroffen.

Kleur

Zeer variabel. Glanzend grijs, licht- tot donkerbruin, soms groenachtig met een zeer variabel patroon van zwarte, minder oranje (soms zelfs afwezig) en fijnere witte pigmentvlekken en -puntjes.

Eieren

De bruin-oranje geleiachtige, korte, hele dikke snoertjes, met tot meer dan 700 geelbruine, in dwarsrijen geplaatste eieren, worden meestal op wieren afgezet en verkleuren naar goudgeel als de embryo's zich ontwikkelen.

Prooi

Biofilm, Periphyton, mogelijk ook wieren: diatomeeën, micro-algen, kiezelwieren, die op algen groeien. Het is niet duidelijk of ze de diverse groen- en rood-algen waar ze de biofilm van af grazen ook consumeren.

Endo- en Ectoparasieten

Er zijn momenteel nog geen bevestigde, geregistreerde Nederlandse waarnemingen bekend van copepode parasieten, op of in deze soort.

Seizoenstrend

Sinds 2018, wordt de soort in Nederland lokaal, massaal, jaarlijks en gedurende het gehele jaar waargenomen. Ei-afzettingen zijn waargenomen in het najaar, maar zijn mogelijk ook gedurende een langere periode aanwezig. De soort is bestand tegen koude winters. Elders in Europa wordt de soort met dezelfde trend waargenomen.

Verspreiding in Nederland

Eerste waarneming is van juni, 2018. Lokaal, en massaal aangetroffen bij Wolphaartsdijk en Oud-Sabbinge, Veerse Meer. De soort heeft zich hier waarschijnlijk al tenminste enkele jaren eerder gevestigd en lijkt zich nu langzaam verder uit te breiden. Is ook bij Geersdijk, Veerse Meer en in het Goese Meer aangetroffen. Nog geen waarnemingen van de andere gebieden in de Zeeuwse Delta, Waddenzee, Noordzee of aangespoeld op de Noordzeestranden.

Distribution in Europe

Dit is een Aziatische invasieve exoot die zich gevestigd heeft in Nederland, Frankrijk, Spanje en bij de Italiaanse oostkust. In Europa, is Nederland de meest noordelijke verspreidingsgrens van deze soort.