Ruwe wratslak

Doris berghi Bergh, 1881

Doris berghi
Ruwe wratslak © Peter H van Bragt
Doris berghi
Eikapsel © Peter H van Bragt
© Peter H van Bragt

Lengte

Max. ca. 45 mm

Synoniemen

Staurodoris ocelligera (original name)Aldisa berghiDoris lutea

Karakteristieke kenmerken

Grote wratten op de centrale rug onregelmatig van structuur en enigszins afgevlakt. Vaak kleine terminale lichtpaarse pigmentvlekjes op de meeste wratten. Twee grote laterale wratten aan de basis van iedere rhinofoor. De rhinoforen zijn meestal lichter gekleurd dan het lichaam.

Te verwarren met

Gladde wratslak Doris verrucosa

Andere kenmerken

Geen echte zeenaaktslak (orde Nudibranchia) maar behoort tot wratslakken: orde Doridida. Lengte tot circa 45mm. Relatief slanke wratslak met wratten van verschillende afmetingen op de rug: de grote wratten worden, naar de mantelrand toe, kleiner. Circa negen kieuwveren die enkelvoudig geveerd zijn. Rondom de kieuwkrans een ring van circa 8 grotere wratten, die vaak ook gekleurde pigmentvlekjes dragen. Subcutaan, onderhuids, in de mantel, lichtere naaldvormige structuren die de wratten lijken te verbinden.

Kleur

De mantel is vuil wit, bleek gelig, meestal geel maar kan ook bruinachtig zijn. Kieuwveren zijn soms iets donkerder, enigszins vaal oranje gekleurd. Rhinoforen zijn vaak lichter gekleurd dan het lichaam.

Eieren

Een vuil tot fel geel, laag lint dat in een linksgedraaide, licht golvende spiraal van 2 tot 8 windingen wordt afgezet. Op wieren afgezet is het vaak een slordige spiraal met slechts enkele windingen. Op vlak substraat is het meestal een meer regelmatige spiraal. De in Nederlandse wateren aangetroffen eiersnoeren zijn vaak valer van kleur dan elders aangetroffen exemplaren. Worden hier veel in de wierzone op roodwieren afgezet, maar ook dieper.

Prooi

Sponzen, Porifera: Gewone broodspons Halichondria panicea en sponzen van het geslacht Hymeniacidon. In de Nederlandse kustwateren is dit de Bleke piekjesspons, H. perlevis.

Endo- en Ectoparasieten

Er zijn nog geen bevestigde, geregistreerde Nederlandse waarnemingen bekend van ecto- of endoparasitaire copepoda, op of in deze soort.

Seizoenstrend

Volwassen dieren zijn hier van maart tot november, met een piek in juni. In november zijn er ook al juvenielen van de volgende generatie waargenomen. Bij milde winters kan de soort waarschijnlijk het gehele jaar waargenomen worden. Eiersnoeren van het late voorjaar tot in het vroege najaar. Elders in Europa wordt de soort ook vooral in het voorjaar en de zomer waargenomen, en nauwelijks in de winter.

Verspreiding in Nederland

Eerste Nederlandse waarneming in juni 2020. Gedurende deze maand zijn er enkele tientallen exemplaren met eiersnoeren aangetroffen op meerdere locaties in uitsluitend de zuidoostelijke Oosterschelde. In 2020 werden er alleen dieren heel ondiep aangetroffen: sublitoraal op circa 1-5 meter onder de laagwaterlijn. In 2021 was het hier, lokaal al gevestigd als een algemene soort. Er werden veel meer exemplaren waargenomen, tot op tenminste 18 meter waargenomen.
Alleen in 2023 ook in het Grevelingenmeer aangetroffen. Geen waarnemingen in de andere wateren van de Zeeuwse Delta, Waddenzee, Noordzee of aangespoeld op de Noordzeestranden. Mogelijk is de soort een klimaatschuiver die in 2020 op de Nederlandse kust zijn, voor Continentaal Europa, noordelijke verspreidingsgrens heeft gekregen. Of het is hier in 2020 geïntroduceerd als een verstekeling met de import van levende schelpdieren.

Verspreiding in Europa

Groot-Brittannië, Ierland, Nederland, Frankrijk, Spanje, Portugal en de Middellandse Zee. De zuidelijke waarnemingen betreffen mogelijk vooral Doris ocelligera.